Op heden
negenden Februarij
Achttienhonderd
Acht-en-Veertig, zijn voor ons ondergeteekende
Ambtenaar van
den Burgerlijken Stand der Stad Amsterdam, in het
huis der
Gemeente, verschenen, ten einde een Huwelijk aan te gaan:
Johannes Theodorus Kristel,
schoenmaker (milicien), geboren en wonende
alhier, oud twee en twintig jaren, minder-
jarige Zoon van Joannes Kristel, schoen-
maker en Jacoba Elisabeth van der Lande,
wonende alhier ter Eenr,
Anna Maria Eggers, werkster, ge-
boren en wonende alhier, oud twee en twintig
jaren, minderjarige dochter van Joannes
Eggers, overleden en Catharina van der
Burgt, werkster, wonende alhier ter
andere Zijde. En verklaarden de ouders
des bruidegoms en de moeder der bruid
alhier tegenwoordig toe te stemmen in dezer Echt.
De
beide afkondigingen tot dit Huwelijk
zijn onverhinderd geschied, alhier
den dertigsten Januarij laatstleden en
zesden dezer. Voorts zijn aan ons over-
gelegd, ten eersten de geboortecedullen
der verloofden, ten tweeden de doodcedul
van den vader der bruid.
Waarna wij hun
hebben afgevraagd of zij elkander aannemen tot Echtgenooten, en
getrouwelijk
alle de pligten zullen vervullen, welke door de Wet aan den Huwelijken Staat
verbonden zijn:
hetwelk door hen, uitdrukkelijk met JA, beantwoord zijnde, hebben
wij in naam der
Wet uitspraak gedaan, dat zij door het Huwelijk aan elkander zijn
verbonden. In
tegenwoordigheid van: Nicolaas Coenraad Kristel,
broeder der echtgenoots, schoenmaker, oud vijf
en twintig, Jacobus Siliakus, zonder beroep,
oud twee en zestig, Frederik Jacobus Wink-
hoff, baardscheerder, oud twee en dertig
en Gerrit Klomp, schoenmaker, oud
twee en dertig jaren, wonende allen alhier.
En is hiervan
door ons opgemaakt deze Akte, welke na voorlezing, door de Kom-
paranten, de
Getuigen en ons is onderteekend. Verklarende de
Echtgenoot en de beide
moeders niet te kunnen schrijven.