Heden
vier en twintig oktober negentienhonderd
negen en twintig,
zijn
voor mij Ambtenaar van den burgerlijken stand van Amsterdam verschenen,
ten einde een
huwelijk
aan te gaan:
Johannes
de Groof, stukadoor, geboren en wonende alhier, oud twee en
twintig
jaren, meerderjarige zoon van Antonie Gerrit de Groof, stukadoor,
oud
vier en veertig jaren, en
Cornelia
van Opzeeland, oud een en
veertig
jaren, zonder beroep, beiden
wonende
alhier, en
Wilhelmina
Catharina Hagemans,
zonder
beroep, geboren in de gemeente
Haarlem,
wonende alhier, oud twee
en
twintig jaren, meerderjarige dochter
van
Johannes Petrus Hagemans,
oud
vijftig jaren, clichédruk-
ker
en Frederica Sophia Aartje Kolk-
meijer,
oud vijftig jaren, zonder
beroep,
beiden wonende alhier. Beider
ouders
verklaarden, voor mij tegen-
woordig,
toe te stemmen in dezen
echt.
De
afkondiging tot dit huwelijk is onverhinderd geschied, alhier den
twaalfden
dezer
maand.
Ik
heb de bruidegom en bruid afgevraagd of zij elkander nemen tot
echtgenooten en ge-
trouwelijk
alle de plichten zullen vervullen, welke door de wet aan den huwelijken
staat ver-
bonden
zijn. Nadat deze vragen door hen bevestigend beantwoord werden, heb ik, in
naam der
wet,
uitspraak gedaan, dat zij door het huwelijk aan elkander zijn verbonden.
Als
getuigen waren tegenwoordig: Wilhelmus Christiaan
Hagemans,
oom der echtgenoote, huis-
schilder,
oud drie en veertig jaren, wo-
nende
in de gemeente Haarlem en Boude-
wijn
Gerardus de Groof, broeder des echt-
genoots,
stukadoor, oud een en twintig
jaren,
wonende alhier.
Waarvan
akte, welke overeenkomstig de wet is voorgelezen.